Media
Dinsdag 20 april
Efeziërs 3:3–6
Mij is in een openbaring het mysterie onthuld waarover ik hiervoor in het kort heb geschreven. Aan de hand daarvan kunt u zich, wanneer u dat leest, een beeld vormen van mijn inzicht in dit mysterie van Christus. Het is onder vorige generaties niet aan de mensen onthuld, maar nu door de Geest geopenbaard aan zijn heilige apostelen en profeten: de heidenen delen door Christus Jezus ook in de erfenis, maken deel uit van hetzelfde lichaam en hebben ook deel aan de belofte, op grond van het evangelie.
Mogelijke aandachtspunt:
- Paulus heeft een apokalyps, een openbaring van God gehad (zie Handelingen 9:1–20 en Galaten 1:11–16). Verreweg de meeste mensen moeten het zonder een dergelijke apokalyps doen. God spreekt niet rechtstreeks tot hen, maar via anderen. Dat kun je ondemocratisch vinden, maar zo werkt God nu eenmaal. Waarom eigenlijk?
Uitgelicht
Gods plan in Christus is een mysterie, een geheim, een verborgenheid. Omdat dit een moeilijk punt is, geef ik er iets meer toelichting bij.
Paulus spreekt, net als in 1:9 over een ‘mysterie’, niet om geheimzinnig te doen, zo van ‘Ik zie, ik zie wat jij niet ziet.’. Ook niet om het geloof te maken tot iets dat alleen voor een eliteclubje van uitverkorenen bestemd is.
Paulus spreekt over een mysterie, allereerst omdat het gaat om ‘Wat het oog niet heeft gezien en het oor niet heeft gehoord, wat in geen mensenhart is opgekomen’ (1 Korintiërs 2:9). Een God die in alle nederigheid mens onder de mensen is en sterft voor de zonden en schuld van de mensheid: dat is zo ongedacht, zo verbazingwekkend, daar kan alleen God zelf op komen. Een vraag: Herken je iets van die verwondering?
Maar Paulus spreekt ook over een mysterie, een geheim, omdat we nu nog in geloof leven en niet in aanschouwen (2 Korintiërs 5:7). We kijken nu nog in een wazige spiegel (1 Korintiërs 13:12). Wij zien nog niet dat Hem alles onderworpen is (Hebreeën 2:8) en wat wij zijn zullen, weten we niet (1 Johannes 3:2). Pas wanneer Christus verschijnt, zullen ook wij, samen met Hem, in luister verschijnen (Kolossenzen 3:4). Daarom is het geloof in Christus een aangevochten werkelijkheid. Niet iedereen kan het geloven, niet iedereen wil het geloven en ook wie het wel willen geloven, kennen soms aanvechtingen. Thomas zei: ‘Alleen als ik de wonden van de spijkers in zijn handen zie en met mijn vingers kan voelen, en als ik mijn hand in zijn zij kan leggen, zal ik het geloven.’ Waarop Jezus zei: ‘Gelukkig zijn zij die niet zien en toch geloven.’ Een vraag: Herken je iets van die aanvechting?
